Comment

Brief 2 Aan de rondtrekkende

‘Het geluk van het schrijverschap, niet alleen voor een eenzaam plezier, maar steeds met de gedachte aan een paar goede vrienden als lezers’ H. Hesse

 

Dierbare,

 

(een dag later)

Wanneer ik in vorige brief schreef dat er minstens een portret of contouren nodig zijn van diegene aan wie je schrijft, sprak ik hoop uit. Het is de gekoesterde hoop om via de contouren dichtbij te blijven, dichtbij te mogen blijven. Misschien schrijf ik je straks wel woorden die anders mijn lippen doen bevriezen.

 De brief is een vrijplaats die ruimte biedt; terzelfdertijd is het een gevaarlijke plaats. Het staat je immers vrij elk woord meteen met de grond gelijk te maken. Toch lijkt de brief het middel bij uitstek om met je te spreken. Nu je weg bent zou de virtuele snelweg logischer zijn, maar ik vrees dat de vluchtigheid van dit medium mijn woorden geen echte kans geeft. Ze zouden de beslotenheid van het briefpapier en de bijhorende briefomslag missen. Ik weet het: het klinkt lachwekkend, alsof ik mijn woorden en ook mezelf een te groot ‘ sérieux’ toemeet. Jawel, ik heb overwogen om andere schrijfmethoden te gebruiken: een dagelijkse column in een krant, af en toe een muurkrant in deze of gene stad. De brief echter  biedt de grootst mogelijke vrijheid en toch ook een zekere intimiteit, en dus beslotenheid.

 De beslotenheid, het intieme van het blad en het tegelijk afstandelijke  ervan intrigeert. Het lijkt  alsof de gedachten via het woord de veilige cocon verlaten en betekenis krijgen door die mogelijkheid: dat iemand ze ooit leest.

 Via jouw ogen bestaat de kans dat anderen meelezen.

Het heeft te maken met het belang van scherper krijgen wat ‘in’ ons is.

De brief of een dagboek zorgt voor een rijpingsproces dat in ons plaatsvindt: wat woordelijk in ons geboren wordt mag geen vroegtijdige dood sterven.

In die zin zie ik de brief als een poëtische stilte.

 Lieve groet

 c.s.

 

Comment

Comment

Brief 1 Aan de rondtrekkende

‘Tussen twee geschreven woorden in is de stilte wel zo hard om er mijn gehele leven glanzend aan te slijpen’.      Maurice Gilliams

 

 Dierbare,

Wanneer je ver weg bent zou ik je schrijven. Je bent nu ver weg.

We hebben geen afscheid genomen.

Liever dan een afscheid wil ik deze afwezigheid als een poëtische stilte zien, een tijd van geschreven woorden.

 Mijn belofte kom ik na:  ik zou je schrijven, waar je ook bent, ik zou een poging doen om contact te houden, ook al heb ik mezelf daarmee een moeilijke opdracht toebedeeld. Schrijven naar iemand zonder het gewikte en gewogen wederwoord is een leeg schrijven. Wanneer ik zeg dat het moeilijk is, dit schrijven, heeft het te maken met dat broodnodige wederwoord. Helaas zal ik je scherpe pen, die ergert maar ook uitdaagt, moeten missen. Deze brieven bereiken je wellicht nooit omdat er geen adres is.

 ‘Je schrijft altijd in afwezigheid van, maar hoe ver weg ook, met aanwezigheid in gedachten’, zegt V.Woolf en ik ben het met haar eens…

Schrijven met de beeltenis, het portret, de contouren van de ander in gedachten is belangrijk, ik zal dit proberen. Toegegeven: dit schrijven valt me zwaarder dan ik had gedacht.

Het schrijven van een  brief is indringend; wat ik letter na letter aan dit  blad toevertrouw is niet zo maar uit te wissen. Traag krast mijn  pen over dit blad het staat haaks op haast en vluchtigheid. Ik lijk wel iemand van een andere planeet. En het lijkt niet alleen zo, ik voel me ook zo.

Hier  staat de tijd stil terwijl intussen alles verder gaat, voorbij vliegt. Ook jij bent onderweg.

Met dit schrijven ben ik in zekere zin ook onderweg, al is dit een ander soort reis.

Het is merkwaardig vast te stellen dat we allebei, in zekere zin, reizen.

 

c..s

Comment

Comment

Brief 7 Aan hem die uren in de tuin werkt Leuven, november 2018

“Witte rozen oleanders komen samen en scheppen vreugde in hun onderlinge geschillen” R.Tagore

 Mijn beste man daar in uw tuin,

 Stilaan zal het snoeiwerk beginnen. Eerst de bomen, dan de struiken, vermoed ik. “De rozen snoeien bij het vierde oog…”: ik meen dat ik dit van de rozensnoei heb onthouden.

Rozen, het lijkt pas gisteren dat ze nog bleekgeurend stonden te bloeien. Elke roos heeft een eigen uitstraling, de fluweelrode met een barokke, ietwat wulpse verschijning naast de teder-melancholieke witte roos. Maar ook de oudroze met haar verweerde kleur straalt broosheid uit. Het fluweel zachte, de subtiele geur en de kleur bespeelt een palet aan gevoelens in ons. De tederheid en natuurlijke schoonheid van rozen biedt weerwerk aan een soms koude wereld.

Veel rozen hebben doornen, dat is goed. De doornen prikken, soms tot bloedens toe. Het herinnert ons aan de realiteit: ook het tedere, ook het schone kan kwetsen.

R.M. Rilke schreef een bundel vol rozengedichten, ik bied u graag een fragment aan:

‘Meer wezen dan werken is immers

Een roos, zou men zeggen.’

“Meer wezen dan werken” is de kracht en de schoonheid van de roos in de tuin.

In plaats van het angstvallige zoeken naar ‘nut’ zou dit ook de kracht van kunst kunnen zijn.

Zoals de dichter Saadi het uitdrukte in ‘De rozentuin’:

“Wat zul je bloemen plukken voor je schaal?

Mijn Rozentuin bevat ze allemaal!

De rozen pronken maar vijf of zes dagen;

De bloei van deze hof zal niet vervagen”

Hij schreef een rozentuin vol in de hoop dat zijn bloeiende woorden voor het nageslacht zouden ‘wezen’, dat ze de vergankelijkheid zouden overstijgen.

Meer is daar niet aan toe te voegen!

 

Van harte ,

 C.S..

Comment

Comment

Brief 6 Aan hem die uren in de tuin werkt herfst 2018

’Om de toeschouwers te vermaken en de aanwezigen te verpozen zal ik een rozentuin in boekvorm samenstellen. Op die bladeren zal de herfstwind geen vat hebben. Wanneer de tijd van de lentegenoegens voorbij is, zullen zij niet overgaan in het woeden van het najaar.’  Uit  De Rozentuin  Saadi

 

Aan hem die uren in de tuin werkt,

 

Beste man daar in die prachtige tuin van u : de herfst ligt in het verschiet, het is nog niet te zien in de tuin, maar je voelt het ’s avonds aan de kilte van de grond. Je ziet het aan de bloemen: ze bloeien, bloeden bijna uit. Je harkt morgen, of volgende maand misschien, de afgevallen bladeren weer bijeen, we noemen het de gang der seizoenen. Je harkt de bladeren bovenop het verleden van een ander seizoen, een andere tijd, een andere geschiedenis.

Elke tuin draagt zijn geschiedenis.

Liggen niet, verscholen tussen het struikgewas, de letters, de zinnen van zoveel in deze tuin gevoerde gesprekken? De oude bomen zijn stille getuigen, ze dragen de verhalen met zich mee. Eenvoudige schoonheid heeft zijn mysterie en geheim. Wie heeft deze tuin vroeger bewerkt? Speelden er kinderen en hebben ze er hun huisdieren begraven, of een schat? Waren er doorheen de jaren verliefde stellen die onder de bomen de liefde bezongen?

Het beste is dat alles onaangeraakt blijft, schoonheid is er om maar even te beroeren, geheimen blijven geheimen.

Wanneer de herfstwind de bomen dooreen schudt, de bladeren de aarde laat bedekken en de takken ontbloot, verschijnt de tuin naakt. De nevel komt over het land als een sluier, maar het mysterie blijft.

De dichter Saadi schreef een rozentuin in boekvorm: het najaar zou er geen vat op hebben en toch…ook de Arabische rozentuin is doorheen de jaren een tuin vol geheimen geworden.

In welk land, deel van de wereld de tuin ligt doet er niet toe belangrijker is met welke grove of zachte hand een tuin bewerkt wordt.

In uw handen weet ik de tuin veilig - zelfs voor de ergste winterkou.

 

Hartelijk,

 C.S

Comment

Comment

Brief 5 Aan hem die uren in de tuin werkt

“I love to rise in a summer morn

When the birds sing on every tree;

The distant huntsman winds his horn,

And the skylark sings with me.

Oh! what sweet company.

But to go to school in a summer morn,

Oh! it drives all joy away.

 (the schoolboy, W. Blake)

 

Dierbare Man die in de tuin werkt,

Het gedicht van William Blake roept een zekere zorgeloosheid op. In de septembermaand,  bij de aanvang van een nieuw schooljaar, vermoed ik dat sommigen het lastig hebben met deze roepende plicht. Vele jongens en meisjes luisteren nu wellicht liever naar het zingen van vogels in elke boom. Of hangen liever rond in uw tuin, ze niksen of schoffelen wat mee.

Maar laten we nog even terugkeren naar de vorige brief: wanneer de Goden zich langzaam terugtrekken en de velden, de bossen plaats maken voor beton.Wie zal het schaarser wordende groen bezielen?

Zijn het de ijverige handen van de tuinman die zich verbonden voelt met de natuur? Is het de toekijkende dichter die de natuur moet blijven bezingen? Of zijn de kinderen en jongeren de blijvende nieuwe bezielers van de natuur?

Ik gooi een hoop vragen in je weelderige tuin: misschien hark je ze samen en verwijs je ze naar de komposthoop. Wanneer ik jou gadesla dan zie ik een sjamaan in de aloude betekenis van het woord. Woordeloos bind je de ranken op, je strooit mest tussen de perken, plukt het fruit, de vogels kwetteren rondom je oren als de beste vrienden. Het is een praten met de natuur alsof mens, dier en plant mekaar werkelijk verstaan.

De dichter, de schilder: zij bezingen de natuur, zwaaien ze lof toe. Net als de activisten zijn ze zich bewust van de broodnodige ademruimte, het onmisbare groen.

Naast de tuinman is de  dichter ‘een poëtische sjamaan’ volgens Kenneth White en Ton Lemaire:’ het is nodig de natuur blijvend te bezingen, te beschrijven’.

Op het einde van zijn leven ondernam de Japanse dichter Basho een lange voettocht. Hij werd bedwelmd door de ongemakken en de schoonheden van de natuur en legde ze vast in haiku’s. ”Op een dorre tak is een kraai nog blijven zitten in de herfstavond” Niet enkel zien maar ook horen, ruiken… speelt in zijn haiku’s een rol, het gehele lichaam neemt de natuur waar.

 Misschien hebben tuinman en dichter elkaar werkelijk nodig en dartelt het kind zorgeloos verder in tuinen en weiden die op deze manier bezield worden.

 Hartelijk,

 Chantal Sap

 

Comment

Comment

Brief 4 Aan hem die uren in de tuin werkt

“Schöne Welt, wo bist du? Kehre wieder, Holdes Blütenalter der Natur!

Ach, in dem Feenland der Lieder lebt noch deine fabelhafte Spur...“ Schiller

 

Aan jij die altijd bezig bent,

 Je tuin ligt aan een kruispunt van wegen op een scherpe hoek. De woorden ‘grens’ en ‘begrenzing’ zijn hier meer dan ooit van toepassing. De mens heeft hier letterlijk de natuur ingeperkt door rondom uw tuin een netwerk van betonnen paden en wegen aan te leggen.

Tussen al die menselijke ingrepen ligt uw tuin als een symbool, een teken, een standbeeld; bijna alsof je met je tuin wil zeggen: ‘Hier heeft de natuur bestaan’, ‘Er is een tijd geweest dat er nog geen andere greep was op het land’…

Hier en daar bestaan nog zulke stille getuigen van weleer, een boswachtershuis middenin een bedrijfsgebied, een dorp naast een kerncentrale…

Jij wekt de indruk er alles aan te doen om je tuin niet tot een stuk erfgoed te laten herleiden. Je tuin is geen toonbeeld van verleden, geen droom, maar pure werkelijkheid.

In mijn fantasie droom ik soms de betonnen grenzen weg en zie ik uw tuin verdwijnen in een liefelijk stuk landschap, het landschap dat er ooit was.

‘Dichters zijn de hoeders van de natuur’, dat wordt gezegd, maar ook: ‘Dichters zijn dromers’. De dichter kan wel hoeder zijn van de natuur maar is vooral ook toeschouwer. Slechts het woord heeft de dichter om de natuur te bewaren, om ze te bezingen en tot haar door te dringen, en dit hopelijk niet  louter uit sentiment maar net omdat die natuur deel van ons gehele wezen, ons zijn, uitmaakt. Wij zijn niet enkel gedachte of woord of handen, wij zijn ook adem en ogen en lichaam in een levende kosmos. Naarmate die kosmos kleiner wordt zal de ademruimte ook verkleinen.

Hoe zullen wij dan leven, vraag ik me af.

Hoe zullen we overleven ?

 

Met deze gedachten neem ik vandaag afscheid,

 tot gauw,

 Chantal Sap

Comment

Comment

Brief 3 Aan hem die uren in de tuin werkt Leuven, zomer 2018

“Toch nog durven de weg van de chaos inslaan in de hoop daar ergens het licht te vinden, al is het dan het ochtendlicht van de vroegte na het gemaskerde bal” H.Hesse

 

Beste Tuinman,

 Op een plaats waar niemand een tuin zou vermoeden ligt deze oase, dit rust- en ankerpunt.Hier wordt achteloos aan voorbijgegaan, voorbijgereden.

Ooit lag wellicht een rustige landweg langs uw woning en tuin. Zo een weggetje dat leidde naar één van de naburige dorpen. Ik vermoed zelfs dat het landschap hier rond wijds en ruim was. De wandelaar had er uitzicht op akkers, velden en veel verte. De rustige landweg heeft plaats gemaakt voor een rijweg. Het lieflijke landschap waarin de natuur de baas was en waar huizen in mochten vertoeven is verdwenen. Wat overblijft is een spaghetti van wegen, grijze lussen en daar middenin een kleine oase: uw huis heeft stand gehouden. Alleen tussen wegen die op hun beurt naar ergens leiden. Bijna iedereen is weggegaan. Ik kan me voorstellen dat dit eiland een plaats kan zijn om alleen te zijn, schoonheid te scheppen middenin de lelijkheid. Uw huis als ankerpunt, schuiloord temidden de reizenden.

Het doet me denken aan de vroegere rozentuinen in de woestijn. In de rozentuin in de Perzische woestijn legde men, ondanks de droogte en het rotsige, toch een kleine oase van strak gelijnde perkjes en sierlijke rozen aan. Men zocht systemen om deze tuin te kunnen bevloeien, de natuurelementen te overwinnen. U beoefent een hedendaags kluizenaarschap tussen een doolhof van wegen. Het is “een van de wereld weg” waarnaar mijn ogen getrokken worden telkens ik in de buurt kom. 

Ondanks het razen rondom staat de tijd hier stil en altijd is er iets te zien, iets nieuws. Er is een grote verscheidenheid aan bloemen en de schakering ervan verschilt naargelang het seizoen. Er zijn perkjes waarin de bloemen weelderig hun gang gaan, op andere plaatsen hebt u er strak de hand aan gehouden. In de gelijnde buxushaag zie ik de sterke leiding van uw hand. Met tijd en regelmaat loopt de grasmaaier over het gazon, met een zekere gestrengheid houdt u het gras kort.

Uw tuin heeft twee gelaatstrekken: een liefdevolle, gulle,  bijna zachte vrouwelijke streling die door de kleurige bloemenweelde waait. Anderzijds ligt er ook een gestrenge rimpeling in het gelaat van uw tuin. Hier en daar is dit duidelijk merkbaar door een strakke lijn in een kort gesnoeide haag, het kort gehouden gras…een mensenhand die de wildgroei tracht in toom te houden.

Van hieruit bekeken is dit alles ten zeerste in evenwicht.

 Zoals steeds,

 C.S.

Comment

Comment

Brief 2 Aan hem die uren in de tuin werkt Leuven, zomer 2018

Beste tuinman,

 Wat voor iemand anders onkruid is durf ik aan te wijzen als mooie bloemen. Ik schets u mijn verbazing over die fijne, kleine plantjes die de natuur bewonen en die tot onkruid worden gerekend. Neem nu het herderstasje met de fijne beursvormige blaadjes, de kleine trossen witbloemige kopjes. Met enige nostalgie blik ik terug op de uitwaaierende paardenbloemen waarmee we het spelletje ‘je ziet me wel, je ziet me niet’ speelden. Als kind  vertraagden ze mijn weg naar school, ik bleef de pluisjes de lucht inblazen, mij er niet van bewust dat ik het zaad van de paardenbloem welig liet tieren... Nooit heb ik begrepen waarom destijds al die bermen met kleurige veldbloemen gemaaid werden.

Een tuin zie ik als één grote speelplaats van wilde schoonheid, een geschenk uit de hemel. Vindt u mij naïef? U hebt wellicht gelijk.

Er is een wisselwerking tussen het hand- en wroetwerk en dat wat de mens in de schoot geworpen wordt. Dat het cliché ‘niets voor niets’ ook hier bewaarheid wordt, daar sta ik weinig bij stil. Het liefst wil een mens één sprookje behouden en stiekem hoop ik dat dit de tuin mag zijn. De sprookjestuin waar ‘het wonder van de natuur’ zijn werk doet. Niets is minder waar, helaas!

Uw blik is soms zorgelijk, en in deze weken vooral naar de lucht gericht, want voor groei en bloei bent u afhankelijk van de natuurelementen. De regen blijft te lang uit of is te overvloedig, dan weer is het de zon die zo nodig moet schijnen. Soms is het gewoon wachten tot de nukken van de natuur voorbij gaan.

“Wat zijn we toch ondanks al onze autonomie gebonden aan de krachten van de natuur en wat stelt onze wil nu voor wanneer de natuur het laat afweten!” schrijft Schiller in een brief aan Goethe (Jena 27-2-1795).

De afhankelijkheid van of het spel tussen mens en natuur maakt de mens bewust van wie wij, maar, zijn. De oude weerspreuken verkondigen ook in nieuwe tijden hun waarheid: “Als dagen lengen, gaan de nachten strengen”.

“Een droge maart en een natte april is de boeren naar hun wil”.

De mooiste vind ik deze: “ Nieuwe maan met helder licht brengt ons van droogte het bericht”.

Wanneer ik u dag na dag bezig zie dan lijkt het alsof niets, zelfs niet de grilligheid van moeder natuur, uw bezigheden kan verstoren. U lijkt als vanzelfsprekend aanwezig, zij het nu bij zon, regen of wind….

 Tot binnenkort,

 C.S.

Comment

Comment

Brief 1 Aan hem die uren in de tuin werkt Leuven, zomer 2018

‘Ik ga wandelen in het bos. Omgeven door houten beelden voel ik me thuis. De oorsprong is van hout. Daar komt de dorst vandaan’ M.Lundquist

 

Meneer de Tuinman,

 Misschien hebt u geen hoge pet op van poëzie en brieven schrijven. Vindt u dit woordenkramerij? Uw tuin lijkt de tuin van een man van weinig woorden, iemand die de handen uit de mouwen steekt. Toch durf ik u te schrijven. Al briefschrijvend kom ik wat praten met u tussen de planten, groenten en bloemenweelde. Jawel: ik zal het kort houden. Waarom ik u zo nodig schrijven wil, vraagt u zich af?

Op mijn weg naar huis valt mijn oog op uw tuin. Altijd opnieuw overvalt mij de schoonheid ervan. Uw tuin lijkt een oase, een plaats waar men graag wil verblijven en rondkijken, een rustpunt middenin de drukte. Het is een groene long geperst tussen een kruispunt van asfalt en woonblokken. Ook al ben ik onkundig in het kweken van bloemen en groenten, de schoonheid en het nuttige ervan ontgaan mij niet. Ik zie u soms bezig met schoffel en hark; u hoort zo volkomen thuis op die plek alsof u daar altijd al bent geweest. Het vanzelfsprekende van uw bezig zijn is wat mij daarin treft. Geen vlucht, geen illusies scheppen, geen loze woorden, geen droom - en toch lijkt het of u een droom creëert.

Ook al raak ik schoffel noch hark aan, ben ik de eeuwige toeschouwer, toch voel ik me ondergedompeld in uw wereld. Ik voel mij deel van uw stilte, voel mij deel van het tafereel, het schilderij dat zich voor mijn oog ontrolt.

Mijn twee linkerhanden kunnen niet praten met uw vaardige vingers, samen onkruid wieden zou eenvoudiger zijn. Mijn pen is voor mij wat tuingereedschap is voor u nl. de broodnodige materie om te kunnen leven. Uw tuin geeft uitdrukking aan wie u bent en hoe u op uw eigenste plaats uw steentje bijdraagt in het leven.

Ik hoop dat uw werkzame handen en mijn woorden mekaar vinden in deze tuin, dat ik de rozenblaadjes die straks van hun bloem vallen net als bij de dichter Saadi kan opvangen en ze kan verschrijven tot rozenpapier. Ik hoop  dat onze verschillende bezigheden ons toelaten mekaar te mogen ontmoeten.

 Tot zeer binnenkort,

 C.S.

Comment