Stadsgedicht
zomers ongevraagd teruggekeerd
parasollen op het plein
de stad krekelt
tiert ratelt zoemt
een bijenkorf
vol gratie liggen parken plantsoenen
te spetteren in de middagzon
geluk dartelt langs het kind
slaapt op de bank
een vrouw leest een boek
waar komt de rusteloosheid vandaan.?
om de hoek achter Le Grand Café
leven de geblutsten
je ziet hen in elke stad
troosteloosheid zweeft over de daken
hangt in de huizen
werpt in elke kamer een schaduw
een schoonheidsvlek in park en plein
daar liggen de naamlozen
treurende kariatiden
zij stutten de ruïnes
van het verlaten verleden
momentopnames zonder naam
c.s.